Het illegaal de grens overbrengen van goederen is van alle tijden. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werden levensmiddelen gesmokkeld van en naar België. Aanvankelijk waren het vooral kleine smokkelaars, de pungelaers, die een aardige bijverdienste hadden in onze grensstreek. Hier kwam verandering in na de Tweede Wereldoorlog. De strijd tussen smokkelaar en douane verhardde door de komst van het vette goud – de botersmokkel.

Grensstreek

Sinds de afscheiding van België van Nederland is er tussen beide landen veel gesmokkeld. Voor de bewoners in de grensstreek is het een tweede natuur die dwars door alle lagen van de bevolking heen loopt. Niemand laat zich de kans ontschieten om gebruik te maken van het prijsverschil dat aan weerskanten van de grens op bijna alle producten zit. Tot de Eerste Wereldoorlog werd er voornamelijk zout gesmokkeld door grensbewoners die een halve cent per kilo zout bijverdienden.

Crisisjaren

Kort na de Eerste Wereldoorlog veerde de Nederlandse economie op en nam het smokkelen af, maar niet voor lang. Tijdens de crisisjaren ’30 nam de werkloosheid toe en gingen veel Brabantse werklozen smokkelen. Van land- en tuinbouwproducten tot sigarettenvloeitjes en jenever. Hoewel de douane fel jacht maakte op de smokkelaars en zelfs op ze schoot, was er geen sprake van vijandschap tussen de twee. Smokkelen werd gezien als een sport bedoeld om wat extra’s te verdienen en niet als een criminele activiteit. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was er schaarste aan alles en kon goed verdiend worden met smokkelen van Nederland naar België én andersom. In de bezettingstijd werd smokkelen zelfs gezien als een verzetsdaad.

Botersmokkel – het vette goud

Na de Tweede Wereldoorlog werd alles wat los en vast zat en waar iets op te verdienen viel tussen de grensstreek Nederland en België gesmokkeld. In het begin was het smokkelen nog kleinschalig en vriendelijk. Dit veranderde drastisch toen boter het meest winstgevende smokkelproduct in de geschiedenis werd. Een kilo boter kostte in 1955 in Holland 3 gulden terwijl een paar honderd meter verder de prijs twee maal zo hoog was. Het verschil in prijs werd onder andere veroorzaakt door hogere productiekosten in België. 

In de grensstreek ontspon zich een nietsontziend gevecht tussen douane en smokkelaars. Een strijd die gevoerd werd met pantserwagens, kraaienpoten, wapens en wilde achtervolgingen. De douane wapende zich met wegversperring, spijkerplank en karabijn. Geregeld liepen smokkelaars tegen de lamp: in de jaren ’50 werd de Bredase rechtbank overladen met smokkelzaken.