1. |
zet de fiets in zijn zwaarste versnelling |
2. |
zet de fiets op zijn kop op het zadel en het stuur |
3. |
kijk naar het voorste en het achterste tandwiel waar de ketting omheen gaat |
|
vraag 1: Is het voorste of het achterste tandwiel groter? |
4. |
plak op de band van je achterwiel het plakkertje |
5. |
draai de trappers één keer rond |
6. |
tel hoeveel keer het achterwiel rondgaat |
|
vraag 2: Hoeveel keer gaat het achterwiel in zijn zwaarste versnelling rond? |
7. |
zet de fiets nu in zijn lichtste versnelling |
8. |
kijk naar het achterste tandwiel waar de ketting omheen gaat |
|
vraag 3: Is het achterste tandwiel waar de ketting omheen gaat groter of kleiner dan in de zwaarste versnelling? |
9. |
draai de trappers één keer rond |
10. |
tel hoeveel keer het achterwiel rondgaat |
|
vraag 4: Hoeveel keer gaat het achterwiel in zijn lichtste versnelling rond? |
|
vraag 5: Gaat het achterwiel minder of meer keer rond dan bij de zwaarste versnelling? |
|
vraag 6: Waarom denk je dat je met een lichte versnelling makkelijker een heuvel opfietst? |